Navorderingsaanslag aan kind na vaststelling vaderschap ten onrechte opgelegd naar moment van overlijden erflater
A overlijdt in 2008 met achterlating van echtgenote B en dochter C. De nalatenschap is waard € 3,9 miljoen. B en C krijgen een aanslag erfbelasting opgelegd. Zes jaar na het overlijden van A wordt A door de Rechtbank als vader van X aangemerkt met als gevolg dat X ook erfgenaam is van A. Aangezien B en C een deel van hun erfrechtelijke verkrijging moeten afstaan aan X, doen B en C een verzoek tot vermindering van de aan hen opgelegde aanslagen erfbelasting, hetgeen door de Inspecteur wordt gehonoreerd. De Inspecteur legt vervolgens aan X op grond van art. 52 SW een navorderingsaanslag erfbelasting op, uitgaande van de waarde in 2008, voor een verkrijging van € 1,3 miljoen. X verkrijgt echter in 2014 uit de nalatenschap een vordering op B van een bedrag van € 555.000.
X gaat tegen de aanslag in beroep en stelt primair dat de navorderingsaanslag buiten de wettelijke termijn was opgelegd. Subsidiair stelt X dat hij feitelijk minder heeft ontvangen dan het bedrag waarover wordt geheven, omdat hij hoge advocaatkosten heeft gemaakt en een gedeelte reeds was verdampt vanwege waardedaling van de beleggingen en verpleegkosten voor B. Meer subsidiair stelt X dat het niet mogelijk is om hem een hogere heffing op te leggen dan in totaal in mindering is gebracht bij B en C. Rechtbank en Hof stellen de inspecteur in het gelijk.
De Hoge Raad oordeelt echter dat ten onrechte is geheven ter zake van een belastbare verkrijging in 2008. Voordat de beschikking waarbij het verzoek tot vaststelling van het vaderschap was toegewezen kracht van gewijsde had gekregen kon X niet worden aangemerkt als rechthebbende tot de nalatenschap van A. Daarom kan in dit geval niet worden aangenomen dat de verkrijging, het belastbare feit naar aanleiding waarvan de navorderingsaanslag aan X is opgelegd, heeft plaatsgevonden voordat die beschikking kracht van gewijsde had gekregen. De uitspraken van Hof, Rechtbank en de inspecteur en de navorderingsaanslag worden vernietigd.
Instantie | Hoge Raad |
Uitspraakdatum | 29-04-2022 |
ECLI | ECLI:NL:HR:2022:661 |
Zaaknummer | 21/00232 |
Bijzondere kenmerken | Cassatie |
Vindplaatsen | |
|
A overlijdt in 2008 met achterlating van echtgenote B en dochter C. De nalatenschap is waard € 3,9 miljoen. B en C krijgen een aanslag erfbelasting opgelegd. Zes jaar na het overlijden van A wordt A door de Rechtbank als vader van X aangemerkt met als gevolg dat X ook erfgenaam is van A. Aangezien B en C een deel van hun erfrechtelijke verkrijging moeten afstaan aan X, doen B en C een verzoek tot vermindering van de aan hen opgelegde aanslagen erfbelastin…
Verder lezen?
Om dit document te kunnen bekijken, moet u ingelogd zijn.
Geen inloggegevens?
Heeft u nog geen inloggegevens, dan kunt u een abonnement afsluiten.
Bent u werkzaam op het notariële en/of fiscale werkterrein en wilt u het gebruik van Via Juridica ervaren?
Vraag een gratis proefabonnement aan en probeer Via Juridica één maand uit!
Voor (voltijd)studenten is een gratis studentenabonnement beschikbaar.